Werkgroep Metaal - Metal Conference 2025, Cardiff
Auteur: Julia Leunge, blog naar aanleiding van bijdrage uit het RN Educatiefonds
Begin september woonde ik het driejaarlijkse congres van de Metal Working Group bij. Dit jaar vond de bijeenkomst plaats in Cardiff, Wales. Opvallend was dat het congres voor het eerst los stond van ICOM-CC, maar werd georganiseerd door de Universiteit van Cardiff. In het bijzonder door docenten Nicola Emmerson en David Watkinson, beiden al jarenlang vertrouwde gezichten binnen de werkgroep. Binnen de organisatie spelen momenteel enkele discussies over de samenwerking met ICOM-CC, waarover nog volop wordt gesproken. De wens is dat de Metal Working Group in de toekomst weer onder de vlag van de hoofdorganisatie congressen kan organiseren, maar of dat lukt moet nog blijken.
Het maakte het des te indrukwekkender dat het evenement in 2025 toch doorgang kon vinden: financieel rondkomen en een internationaal congres organiseren zonder de steun van de hoofdconferentie is geen kleine prestatie. Het onderstreept vooral hoe hecht en toegewijd de metaalwerkgroep is, met deelnemers die elke drie jaar van over de hele wereld samenkomen.
Zoals gebruikelijk bood het congres een breed scala aan presentaties. Naast wetenschappelijke bijdragen over analysetechnieken waren er ook veel praktijkgerichte case studies. Het overkoepelende thema van deze editie was duurzaamheid. Dat onderwerp roept onder restauratoren soms wat scepsis op, vooral omdat ‘groene’ alternatieven in het verleden niet altijd even effectief bleken. Toch waren er meerdere presentaties waarin duurzame of ecologische behandelingen overtuigende resultaten lieten zien.
Een materiaal dat dit jaar opvallend vaak terugkwam in presentaties was chitosan. In andere restauratiedisciplines is het mogelijk al langer bekend, maar binnen de metaalconservering had ik er zelf nog niet eerder over gehoord. Chitosan is een geleermiddel dat wordt gewonnen uit het exoskelet van schaaldieren. Het is niet-toxisch en volledig biologisch afbreekbaar; in feite een soort schelpdiergelatine. Onderzoekers testen het onder andere als coating en als gelling agent bij het verwijderen van corrosieproducten.
Bijzonder interessant vond ik ook onderzoek van de universiteit van Neuchâtel naar het gebruik van een (dode) gistcultuur om chloriden in ijzer om te zetten. Voor iedereen die met archeologisch ijzer werkt is chlorideverwijdering immers een voortdurend probleem. In augustus kon ik al een workshop bijwonen waarin dit proces, samen met enkele nog ongepubliceerde studies, werd gepresenteerd. Daar werd ook aangekondigd dat de benodigde materialen en methodes binnenkort voor een relatief betaalbare prijs beschikbaar zullen komen voor restauratoren.
Op woensdag stond een excursie naar de SS Great Britain op het programma: een historisch stoomschip dat in 1843 in Bristol werd gebouwd. Na een korte carrière als passagiersschip, en een schipbreuk in 1846, werd het ingezet als emigrantenschip naar Australië. In 1881 werd het omgebouwd tot zeilschip. Later, tussen 1884 en 1937, lag het bij de Falklandeilanden en werd het gebruikt als quarantainefaciliteit en opslagplaats voor wol.
In 1970 werd het schip, met financiële steun van onder anderen Sir Paul Getty, geborgen en teruggesleept naar Bristol, naar de werf waar het ooit gebouwd was. Pas in 1998 werd duidelijk hoe ernstig de corrosie van de romp inmiddels was geworden. Er werd een innovatief conserveringsplan ontwikkeld: het deel van het schip onder de waterlijn werd afgesloten met een glazen plaat in het droogdok. Door gecontroleerde luchtstromen wordt daar een stabiel microklimaat gecreëerd, zodat het chloridebelaste ijzer bij een constante relatieve luchtvochtigheid kan worden bewaard.
Na een uitgebreide introductie door de conserverings-ingenieur, inclusief ietwat specialistische uitleg over kosten, onderhoud en zelfs de duurzaamheid van kolen versus windenergie, konden we het schip zelf bekijken.
De presentatie van het schip bleek een belevenis op zich. Mijn persoonlijke zwak voor ouderwetse museale presentatie werd ruimschoots bediend: historische interieurs, poppen in kostuum en zelfs multisensorische elementen. Zo was er een scène met een zeezieke passagier, compleet met geluidseffecten en bijpassende geur.
Onder de waterlijn, in het droogdok, werkte de klimaatinstallatie op dat moment helaas niet. Dat was direct merkbaar: de lucht voelde vochtig aan en dataloggers gaven een relatieve luchtvochtigheid van ongeveer 70% aan.
Toch maakte het project indruk. Het is moeilijk om in Nederland een vergelijkbare situatie te bedenken waarin zoveel middelen zijn geïnvesteerd in een innovatief conserveringsconcept waarvan de effectiviteit aanvankelijk vooral theoretisch was onderbouwd. Het laat zien dat erfgoed in het Verenigd Koninkrijk hoog op de prioriteitenlijst staat.
Terugkijkend was het een inspirerende week; een uitstekende gelegenheid om nieuwe ontwikkelingen te zien, oude bekenden te spreken en ideeën uit te wisselen met collega’s uit het veld. Juist die combinatie van wetenschappelijk onderzoek, praktische case studies en informele gesprekken maakt dit soort bijeenkomsten zo waardevol. Ondanks de uitdagingen rondom organisatie en financiering laat deze editie zien dat de Metal Working Group nog altijd een hechte en actieve gemeenschap is. Hopelijk blijft er ook in de toekomst ruimte voor dit soort gespecialiseerde bijeenkomsten, waar kennis en enthousiasme voor metaalconservering samenkomen.
Wil je meer weten over de werkgroep Metaal of je hierbij aansluiten? Klik op de link voor meer informatie of kijk hier voor meer informatie over hoe ook jij aanspraak kan maken op een bijdrage uit het Educatiefonds!
